De UFR is dood! Lang leve de UFR?

De meeste risk managers, vermogensbeheerders en consultants waren het al langer met elkaar eens. De door de Commissie UFR voorgestelde methodiek om de rekenrente vast te stellen is een stuk complexer dan de huidige UFR methodiek, die door DNB sinds september 2012 wordt gehanteerd. Het inschatten van het effect van renteveranderingen op de dekkingsgraad of op het rente-afdekkingsbeleid is hierdoor, zonder ingewikkeld rekenkundig model, quasi onmogelijk. Een gelijkblijvende rente bijvoorbeeld leidt tot een daling van de dekkingsgraad, omdat in de berekening de nog hogere rentes uit de afgelopen 10 jaar worden meegenomen. Dit is voor bestuurders moeilijk te begrijpen, en bijna onmogelijk uit te leggen aan de deelnemers.

Wetsvoorstel Eerste Kamer

De uitspraak van afgelopen dinsdag dat de Eerste Kamer (voorlopig) geen nieuwe rekenrente wil invoeren, kent dan ook veel bijval in de pensioensector. Voor de Eerste Kamer is niet alleen de toenemende complexiteit, maar vooral het feit dat de pensioenfondsen misschien op korte termijn met drie UFR’s te maken zouden kunnen krijgen, van doorslaggevend belang. Vanuit Europees perspectief bestaat immers de mogelijkheid dat de ‘Solvency II UFR’ niet alleen voor verzekeraars maar ook voor pensioenfondsen zal worden ingevoerd. Kan hieruit de conclusie worden getrokken dat de invoering van de Solvency II UFR wel op een goedkeuring van de Eerste Kamer had kunnen rekenen?

De ene UFR is de andere niet!

Hier lijkt het collectieve geheugen ons dan in de steek te laten. DNB heeft voor de huidige UFR methodiek gekozen omwille van de nadelen in de berekening van de rekenrente op basis van de Solvency II UFR. In deze laatste methodiek wordt gebruik gemaakt van de Smith-Wilson extrapolatiemethode. Zonder in te gaan op alle technische details betekent dit dat na 20 jaar, dit is het zogenaamde laatste liquide punt, geen marktinformatie meer wordt meegenomen. Hierdoor ontstaat een enorme rentegevoeligheid op 20 jaar, die voor pensioenfondsen bijzonder lastig te hedgen is.

Om te voorkomen dat bestuurders het renterisico dan maar niet meer gaan hedgen, of genoegen nemen met een imperfecte hedge, dient dit soort kritiek wel meegenomen te worden in de keuze voor welke UFR als basis geldt voor de vaststelling van de rentetermijnstructuur.

Om u als bestuurder te ondersteunen in deze wirwar van rentes, heeft Montesquieu een scenariomodel op basis van verschillende rentecurves. Hierdoor kunt u in één oogopslag het effect zien op de dekkingsgraad, het rente-afdekkingsbeleid en de curvepositionering van de rentehedge. Dit niet alleen onder de huidige UFR, de door de Commissie UFR voorgestelde UFR en de Solvency II UFR, maar zelfs ook gewoon onder de economische marktrente.

Interesse?

Neemt u dan contact met ons op.

– Gertrude Winters en Tom Loog

Klik hier voor de PDF-versie van deze publicatie: 201412 – Tom Loog & Gertrude Winters – De UFR is dood