De aandacht voor derivaten is de afgelopen twee jaar enorm toegenomen. Voorbeelden van verkeerd gebruik van derivaten maken dat de wet– en regelgeving, met name in de publieke sector, strikter wordt vastgesteld. Zo zijn de regels omtrent derivatengebruik voor woningcorporaties reeds aan-gescherpt en is ook voor de zorg– en onderwijsinstellingen  een wetsvoorstel in de maak. Inhakend op deze trend publiceerde ook de Raad voor  Jaarverslaggeving eind vorig jaar een aanpassing op de RJ richtlijn 290 Financiële Derivaten, waardoor alle niet-beursgenoteerde Nederlandse organisaties te maken krijgen met een strikter en duidelijker vastgesteld beleid omtrent de waardering van derivaten in de externe verslaglegging. In dit artikel worden de belangrijkste aanpassingen en aandachts-punten besproken.

Achtergrond

De Raad voor Jaarverslaggeving (RJ) is het uitvoerend orgaan van de Stichting voor de Jaarverslaggeving. De stichting stelt zich als doel om de kwaliteit van de externe verslaggeving van Nederlandse niet-beursgenoteerde organisaties en bedrijven te bevorderen. Ten behoeve hiervan worden richtlijnen voor de jaarverslaggeving en RJ Uitingen gepubliceerd. Naast het publiceren van deze richtlijnen en uitingen heeft de RJ ook een adviesrol voor de overheid en regelgevende instanties.

De RJ Uitingen worden opgesteld ter verduidelijking of interpretatie van bestaande Richtlijnen of om geringe wijzigingen in de richtlijnen door te voeren. De richtlijn financiële derivaten, die in dit artikel centraal staat, is een vervolg op de eerdere RJ Uiting 2013-4.

Belangrijkste Wijzigingen

De nieuwe richtlijn bevat drie belangrijke aspecten:

  1. Verduidelijking omtrent het bepalen van ineffectiviteit bij toepassing van kostprijs hedge-accounting;
  2. Aanpassing omtrent het scheiden van embedded derivaten bij kostprijs-waardering;
  3. Het opnemen van een toelichting van kasstroom-informatie rondom hedge-accounting.

Onderstaand worden de drie wijzigingen nader besproken.

1. Verduidelijking bepaling ineffectiviteit; 

In de RJ 290 zijn vier modellen opgenomen voor hedge accounting:

  • Reëlewaardehedge accounting (ook in IFRS);
  • Kasstroomhedge accounting  (ook in IFRS)
  • Kostprijshedge accounting (uniek voor RJ);
  • Hedge van een netto-investering in buitenlandse eenheid (ook in IFRS).

Kostprijshedge accounting is een model dat alleen in de RJ bekend is en niet onder IFRS.  In dit accountingmodel worden de derivaten niet op basis van reële waarde gewaardeerd maar tegen kostprijs. Dit is alleen toegestaan voor het effectieve deel van de hedge. Ineffectieve delen dienen op basis van reële waarde in de externe verslaggeving te worden meegenomen (dit kan een impact hebben op de W&V rekening).

Of er sprake is van ineffectiviteit (mate waarop waardeveranderingen van het hedge instrument waardeveranderingen van de afgedekte positie niet compenseren) werd in de ‘oude’ richtlijn primair bepaald door het vergelijken van de hoofdsommen van het hedge instrument en de afgedekte positie. Bij gelijke hoofdsommen, werd de hedge als effectief beschouwd. Indien de afdekking (bijvoorbeeld een renteswap van € 110 mln.) een hogere hoofdsom heeft dan de afgedekte positie (bijvoorbeeld een variabele lening van € 100 mln.) dan wordt deze afwijking als ineffectief gekwalificeerd (voor een bedrag van € 10 mln.). Voor dit ineffectieve deel diende, indien de marktwaarde (reële waarde) lager was dan de kostprijs van het derivaat, het verschil opgenomen te worden in de W&V rekening (creëren van een voorziening).

In praktijk leidt deze methode echter tot verschillende interpretaties en toepassingen. Immers, zolang de hoofdsom gelijk was kon de hedge aangemerkt worden als effectief. In de nieuwe RJ Richtlijn is de ineffectiviteitstoets derhalve nader gespecificeerd; indien de  kritische kenmerken van het hedge-instrument en de afgedekte positie niet aan elkaar gelijk zijn, is dit een indicatie van een (deels) ineffectieve hedge. De kritische kenmerken betreffen onder andere de omvang, de looptijd, het afgedekte risico en de wijze van afrekening.

Als de indicatie van een ineffectieve hedge bestaat, dient een kwantitatieve ineffectiviteits-meting te worden gedaan aan de hand van het reëlewaardehedge- accounting model of de het kasstroomhedge-accounting model. De uitwerking van deze modellen valt buiten het bestek van dit artikel.

Met deze vaststelling is het begrip ‘effectief’ ingeperkt, immers de kritische kenmerken dienen in het voorbeeld van de renteswap en variabele lening precies aan elkaar gelijk te zijn. Het ineffectieve deel van de hedge dient, gelijk aan de eerdere richtlijnen, tegen reële waarde (marktwaarde) worden gewaardeerd. Belangrijk aandachtspunt is echter dat de ineffectiviteit alleen dient te worden verwerkt in de W&V rekening indien de ineffectiviteit per balansdatum op cumulatieve basis in een verlies resulteert. In de rechterkolom is ter verduidelijking het voorbeeld uit de RJ richtlijn opgenomen.

2. Scheiden embedded derivaten;

Embedded derivaten zijn derivaten die onderdeel uitmaken van (besloten zijn in) een contract, bijvoorbeeld optie-componenten in een lening overeenkomst.  Volgens de RJ richtlijn is er sprake van een embedded derivaat indien de component uit het contract

a. voldoet aan de definitie van een derivaat; en

b. als contractuele voorwaarde of groep van contractuele voorwaarden is besloten in een basiscontract (bijvoorbeeld lening overeenkomst).

Het gevolg hiervan is dat de uit het contract voortvloeiende kasstromen op dezelfde wijze veranderen als die van een losstaand derivaat.

In de ‘oude’ richtlijn was beschreven dat embedded derivaten slechts gescheiden hoefden te worden van het basiscontract indien de keuze werd gemaakt om de embedded derivaten te waarderen op basis van de reële waarde grondslag. Deze methode bleek echter in praktijk in sommige gevallen voorbij te gaan aan de beginselen van kostprijs of lagere reële waarde voor op kostprijs gewaardeerde derivaten. Om dit te voorkomen heeft de RJ deze uitzondering voor embedded derivaten weg genomen. Embedded derivaten dienen nu te worden gescheiden van het basiscontract en apart op reële waarde te worden gewaardeerd, (ongeacht de gekozen waarderingsgrondslag) indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

  • Er bestaat geen nauw verband tussen de economische kenmerken en risico’s van het in het contract besloten (embedded) derivaat en de kenmerken en risico’s van het basiscontract (bijvoorbeeld de lening overeenkomst waarin het embedded derivaat is opgenomen);
  • Het derivaat zou los van het basiscontract ook voldoen aan de definitie van derivaat.
  • Het totale contract (bijvoorbeeld de lening-overeenkomst inclusief de optiestructuren) wordt niet tegen reële waarde gewaardeerd in de jaarrekening. Dit betekent dat er ook geen waarde-veranderingen in de W&V rekening worden verwerkt,

Indien aan bovenstaande criteria wordt voldaan dient het besloten derivaat te worden gescheiden van het basiscontract. In principe dient het betreffende derivaat dan gewaardeerd te worden op reële waarde tenzij kan worden voldaan aan de eisen van hedge accounting (waardering tegen kostprijs mogelijk).  Naast bovenstaande is ook de vrijstelling voor het scheiden van embedded derivaten voor middelgrote rechtspersonen komen te vervallen.

3. Toelichting kasstroom- informatie:

In sommige gevallen kan het aanhouden van een derivaat leiden tot liquiditeits-/kasstroomrisico’s zonder dat er sprake is van een ineffectieve hedge. Dit is bijvoorbeeld het geval bij derivaten die een margin call (bijstortingsverplichting kennen). In de aangepaste richtlijn is expliciet opgenomen dat significante kasstroomrisico’s dienen te worden toegelicht in de jaarrekening. Hiervoor dient de (i) aard (hoeveel verrekeningen), (ii) de omvang (welk deel van de portefeuille kent een bijstorting), (iii) de omstandigheden waaronder, en (iv) het moment waarop de kasstromen zich kunnen voortdoen te worden toegelicht.  Effecten van derivaten dienen ook bij de algemene toelichting inzake rente– en kasstroomrisico toegelicht te worden.

Overige aanpassingen

Naast bovengenoemde drie belangrijkste aanpassingen, heeft de RJ ook bepaald dat de waarderingsgrondslag voor verschillende afdekkings-categorieën kan verschillen. Zo kan voor valutaderivaten een andere methode gebruikt worden dan voor rentederivaten.

Ingangsdatum

De RJ heeft aangegeven dat de aanpassingen verschijnen in de RJ bundel 2014 die in september dit jaar uitkomt. De regels gelden vooralsnog voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2014. Op dit moment neemt de RJ nog in overweging of de herziende richtlijnen met terugwerkende kracht zullen gelden vanaf 1 januari 2013. De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants heeft medio november 2013 echter al laten weten dit onwenselijk en onpraktisch te achten.

De nieuwe richtlijnen bakenen de regels omtrent derivaten-verantwoording verder af maar kunnen een aanzienlijke impact hebben op de W&V rekening. Derhalve is het verstandig de gevolgen van potentieel ineffectieve hedge-delen tijdig in kaart te brengen. Mocht u hieromtrent vragen hebben, kunt u ons bereiken op onderstaand nummer.De aandacht voor derivaten is de afgelopen twee jaar enorm toegenomen. Voorbeelden van verkeerd gebruik van derivaten maken dat de wet– en regelgeving, met name in de publieke sector, strikter wordt vastgesteld. Zo zijn de regels omtrent derivatengebruik voor woningcorporaties reeds aan-gescherpt en is ook voor de zorg– en onderwijsinstellingen  een wetsvoorstel in de maak. Inhakend op deze trend publiceerde ook de Raad voor  Jaarverslaggeving eind vorig jaar een aanpassing op de RJ richtlijn 290 Financiële Derivaten, waardoor alle niet-beursgenoteerde Nederlandse organisaties te maken krijgen met een strikter en duidelijker vastgesteld beleid omtrent de waardering van derivaten in de externe verslaglegging. In dit artikel worden de belangrijkste aanpassingen en aandachts-punten besproken.

Achtergrond

De Raad voor Jaarverslaggeving (RJ) is het uitvoerend orgaan van de Stichting voor de Jaarverslaggeving. De stichting stelt zich als doel om de kwaliteit van de externe verslaggeving van Nederlandse niet-beursgenoteerde organisaties en bedrijven te bevorderen. Ten behoeve hiervan worden richtlijnen voor de jaarverslaggeving en RJ Uitingen gepubliceerd. Naast het publiceren van deze richtlijnen en uitingen heeft de RJ ook een adviesrol voor de overheid en regelgevende instanties.

De RJ Uitingen worden opgesteld ter verduidelijking of interpretatie van bestaande Richtlijnen of om geringe wijzigingen in de richtlijnen door te voeren. De richtlijn financiële derivaten, die in dit artikel centraal staat, is een vervolg op de eerdere RJ Uiting 2013-4.

Belangrijkste Wijzigingen

De nieuwe richtlijn bevat drie belangrijke aspecten:

  1. Verduidelijking omtrent het bepalen van ineffectiviteit bij toepassing van kostprijs hedge-accounting;
  2. Aanpassing omtrent het scheiden van embedded derivaten bij kostprijs-waardering;
  3. Het opnemen van een toelichting van kasstroom-informatie rondom hedge-accounting.

Onderstaand worden de drie wijzigingen nader besproken.

1. Verduidelijking bepaling ineffectiviteit; 

In de RJ 290 zijn vier modellen opgenomen voor hedge accounting:

  • Reëlewaardehedge accounting (ook in IFRS);
  • Kasstroomhedge accounting  (ook in IFRS)
  • Kostprijshedge accounting (uniek voor RJ);
  • Hedge van een netto-investering in buitenlandse eenheid (ook in IFRS).

Kostprijshedge accounting is een model dat alleen in de RJ bekend is en niet onder IFRS.  In dit accountingmodel worden de derivaten niet op basis van reële waarde gewaardeerd maar tegen kostprijs. Dit is alleen toegestaan voor het effectieve deel van de hedge. Ineffectieve delen dienen op basis van reële waarde in de externe verslaggeving te worden meegenomen (dit kan een impact hebben op de W&V rekening).

Of er sprake is van ineffectiviteit (mate waarop waardeveranderingen van het hedge instrument waardeveranderingen van de afgedekte positie niet compenseren) werd in de ‘oude’ richtlijn primair bepaald door het vergelijken van de hoofdsommen van het hedge instrument en de afgedekte positie. Bij gelijke hoofdsommen, werd de hedge als effectief beschouwd. Indien de afdekking (bijvoorbeeld een renteswap van € 110 mln.) een hogere hoofdsom heeft dan de afgedekte positie (bijvoorbeeld een variabele lening van € 100 mln.) dan wordt deze afwijking als ineffectief gekwalificeerd (voor een bedrag van € 10 mln.). Voor dit ineffectieve deel diende, indien de marktwaarde (reële waarde) lager was dan de kostprijs van het derivaat, het verschil opgenomen te worden in de W&V rekening (creëren van een voorziening).

In praktijk leidt deze methode echter tot verschillende interpretaties en toepassingen. Immers, zolang de hoofdsom gelijk was kon de hedge aangemerkt worden als effectief. In de nieuwe RJ Richtlijn is de ineffectiviteitstoets derhalve nader gespecificeerd; indien de  kritische kenmerken van het hedge-instrument en de afgedekte positie niet aan elkaar gelijk zijn, is dit een indicatie van een (deels) ineffectieve hedge. De kritische kenmerken betreffen onder andere de omvang, de looptijd, het afgedekte risico en de wijze van afrekening.

Als de indicatie van een ineffectieve hedge bestaat, dient een kwantitatieve ineffectiviteits-meting te worden gedaan aan de hand van het reëlewaardehedge- accounting model of de het kasstroomhedge-accounting model. De uitwerking van deze modellen valt buiten het bestek van dit artikel.

Met deze vaststelling is het begrip ‘effectief’ ingeperkt, immers de kritische kenmerken dienen in het voorbeeld van de renteswap en variabele lening precies aan elkaar gelijk te zijn. Het ineffectieve deel van de hedge dient, gelijk aan de eerdere richtlijnen, tegen reële waarde (marktwaarde) worden gewaardeerd. Belangrijk aandachtspunt is echter dat de ineffectiviteit alleen dient te worden verwerkt in de W&V rekening indien de ineffectiviteit per balansdatum op cumulatieve basis in een verlies resulteert. In de rechterkolom is ter verduidelijking het voorbeeld uit de RJ richtlijn opgenomen.

2. Scheiden embedded derivaten;

Embedded derivaten zijn derivaten die onderdeel uitmaken van (besloten zijn in) een contract, bijvoorbeeld optie-componenten in een lening overeenkomst.  Volgens de RJ richtlijn is er sprake van een embedded derivaat indien de component uit het contract

a. voldoet aan de definitie van een derivaat; en

b. als contractuele voorwaarde of groep van contractuele voorwaarden is besloten in een basiscontract (bijvoorbeeld lening overeenkomst).

Het gevolg hiervan is dat de uit het contract voortvloeiende kasstromen op dezelfde wijze veranderen als die van een losstaand derivaat.

In de ‘oude’ richtlijn was beschreven dat embedded derivaten slechts gescheiden hoefden te worden van het basiscontract indien de keuze werd gemaakt om de embedded derivaten te waarderen op basis van de reële waarde grondslag. Deze methode bleek echter in praktijk in sommige gevallen voorbij te gaan aan de beginselen van kostprijs of lagere reële waarde voor op kostprijs gewaardeerde derivaten. Om dit te voorkomen heeft de RJ deze uitzondering voor embedded derivaten weg genomen. Embedded derivaten dienen nu te worden gescheiden van het basiscontract en apart op reële waarde te worden gewaardeerd, (ongeacht de gekozen waarderingsgrondslag) indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

  • Er bestaat geen nauw verband tussen de economische kenmerken en risico’s van het in het contract besloten (embedded) derivaat en de kenmerken en risico’s van het basiscontract (bijvoorbeeld de lening overeenkomst waarin het embedded derivaat is opgenomen);
  • Het derivaat zou los van het basiscontract ook voldoen aan de definitie van derivaat.
  • Het totale contract (bijvoorbeeld de lening-overeenkomst inclusief de optiestructuren) wordt niet tegen reële waarde gewaardeerd in de jaarrekening. Dit betekent dat er ook geen waarde-veranderingen in de W&V rekening worden verwerkt,

Indien aan bovenstaande criteria wordt voldaan dient het besloten derivaat te worden gescheiden van het basiscontract. In principe dient het betreffende derivaat dan gewaardeerd te worden op reële waarde tenzij kan worden voldaan aan de eisen van hedge accounting (waardering tegen kostprijs mogelijk).  Naast bovenstaande is ook de vrijstelling voor het scheiden van embedded derivaten voor middelgrote rechtspersonen komen te vervallen.

3. Toelichting kasstroom- informatie:

In sommige gevallen kan het aanhouden van een derivaat leiden tot liquiditeits-/kasstroomrisico’s zonder dat er sprake is van een ineffectieve hedge. Dit is bijvoorbeeld het geval bij derivaten die een margin call (bijstortingsverplichting kennen). In de aangepaste richtlijn is expliciet opgenomen dat significante kasstroomrisico’s dienen te worden toegelicht in de jaarrekening. Hiervoor dient de (i) aard (hoeveel verrekeningen), (ii) de omvang (welk deel van de portefeuille kent een bijstorting), (iii) de omstandigheden waaronder, en (iv) het moment waarop de kasstromen zich kunnen voortdoen te worden toegelicht.  Effecten van derivaten dienen ook bij de algemene toelichting inzake rente– en kasstroomrisico toegelicht te worden.

Overige aanpassingen

Naast bovengenoemde drie belangrijkste aanpassingen, heeft de RJ ook bepaald dat de waarderingsgrondslag voor verschillende afdekkings-categorieën kan verschillen. Zo kan voor valutaderivaten een andere methode gebruikt worden dan voor rentederivaten.

Ingangsdatum

De RJ heeft aangegeven dat de aanpassingen verschijnen in de RJ bundel 2014 die in september dit jaar uitkomt. De regels gelden vooralsnog voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2014. Op dit moment neemt de RJ nog in overweging of de herziende richtlijnen met terugwerkende kracht zullen gelden vanaf 1 januari 2013. De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants heeft medio november 2013 echter al laten weten dit onwenselijk en onpraktisch te achten.

De nieuwe richtlijnen bakenen de regels omtrent derivaten-verantwoording verder af maar kunnen een aanzienlijke impact hebben op de W&V rekening. Derhalve is het verstandig de gevolgen van potentieel ineffectieve hedge-delen tijdig in kaart te brengen. Mocht u hieromtrent vragen hebben, kunt u ons bereiken op onderstaand nummer.